Over Georg Rauchenecker en zijn strijkkwartetten
Nr. 1 in c (1874) en Nr. 6 in Es (ca. 1891)
Georg Wilhelm Rauchenecker (1844-1906) behoort nu tot de vergeten componisten terwijl zijn vele symfonieën, soloconcerten, koorwerken en kamermuziek tijdens zijn leven veel werden gespeeld en gewaardeerd. Geboren in München heeft hij viool, piano en orgel leren spelen en bekwaamde zich in compositie en directie. Als concert- en kapelmeester, pianodocent, conservatorium-directeur en dirigent was hij actief in Duitsland, Frankrijk en Zwitserland. Hij leerde o.a. Richard Wagner goed kennen. Bij Wagner thuis in Zwitserland werden de Beethoven kwartetten uitgevoerd waarbij Rauchenecker de 2e vioolpartij voor zijn rekening nam.
Aan kamermuziek componeerde Rauchenecker een blaasoktet, een strijksextet, een pianokwintet en 6 strijkkwartetten die zelden meer worden uitgevoerd, helaas!
Gelukkig is het 1e kwartet in c uit 1874 door het Winterthurer Streichquartett op CD gezet waardoor wij het hebben “ontdekt” en nu graag ten gehore brengen. Met het eerste thema van het openingsdeel Allegro impetuoso lijkt Rauchenecker te refereren naar Wagners Siegfried Idyll en ook Beethovens geest is niet ver weg. De lieflijke melodie van het 2e deel Andante moderato vormt min of meer het hoogtepunt van het kwartet en doet denken aan een Lied ohne Worte van Mendelssohn. Dan volgt het korte, stevige Allegro vivace met daarin een fraai trio. Het kwartet eindigt met een overtuigend Allegro con fuoco waarin een pulserend eerste thema effectief contrasteert met een tweede lyrische melodielijn.
Het 6e en waarschijnlijk laatste kwartet van ‘G.W.R.’, in Es uit ongeveer 1891, heeft een ander karakter dan het eerste. Het heroïsche eerste thema van het openingsdeel Allegro kenmerkt zich door korte voorslagen, octaaf-sprongen omlaag en variërende ’toonladder’-loopjes omhoog terwijl het tweede meer lyrische thema je op het verkeerde been zet door een intuïtieve opmaat als eerste tel van de maat te definiëren. Rauchenecker serveert ook verrassende modulaties. In het langzame deel Adagio Lugubre mag het bijvoeglijke naamwoord meer als somber en rouwig dan naargeestig begrepen worden. De keuze voor een 3/8 maat in dit langzame deel doet aan bijv. Beethoven denken. In het tussendeel klinken fraaie, oplopende harmonieën van lage naar hoge instrumenten. In het snelle Presto horen wij de voorslagen weer terugkomen met ook hier een afwisselend tussendeel, deze keer met lange lijnen en chromatische loopjes. De coda sluit af met de bekende voorslagen. Het stuwende laatste deel Allegro con moto begint unisono met opmatige, neergaande harmonieën gevolgd door snelle loopjes. Het tweede thema is weer lyrisch van aard, daarmee heeft het laatste deel eenzelfde opbouw als het eerste waarvan de neerwaartse octaaf-sprongen zich opnieuw laten horen.
Naar aanleiding van deze pagina wordt het Pythagoras Kwartet gecontacteerd door Frank Rauchenecker uit Noordoost-Duitsland, nakomeling van Georg Wilhelm. Hij blijkt nog meer kwartetten van zijn voorvader in een archief in Wuppertal ontdekt te hebben. Dit is aanleiding tot 2 tournees van het kwartet naar NO-Duitsland om de muziek aan de daar wonende nakomelingen te laten horen. Meer informatie over Raucheneckers werken kunt u van Frank via ons ontvangen.
